by margriet

Evelyne van Winden

10-9-2021

Met zijn duikbril op zijn hoofd rent hij in zijn zwembroek naar de zee. Hij heeft deze vakantie voor het eerst gesnorkeld. Plons, weg is hij. Ik plof de tassen neer en begin aan mijn gevecht met ons parasolletje en het kiezelstrand.

Even later komt mijn zoon naar me toe. Hij roept: “Mijn duikbril is weg!” Ik denk een kleine fractie van teleurstelling in zijn stem te horen, maar dat veranderd al snel in woede. “Een golf heeft m’n duikbril van mijn kop afgeslagen.” Hij is boos op alles. De zee, de wind, het strand, dit roteiland, papa die zijn duikbril niet kan terugvinden.

Uitgeraasd gaat hij naast me op zijn handdoek zitten. De golf heeft niet alleen zijn duikbril maar ook het plezier uit zijn gezicht geslagen. Daar zit hij te mokken op zijn handdoek: “Deze dag is vreselijk, en de hele vakantie is verpest.” Ik reageer door te zeggen: “Wat jammer zeg van de duikbril, ik weet hoe leuk je het vindt om ermee te zwemmen.” Hij reageert niet.

Ik heb met hem te doen. Het liefst wil ik in de auto stappen om een nieuwe duikbril voor hem te halen. Maar ik weet ook dat dat niet is wat hij nu nodig heeft. Ik neem de beslissing om pas een nieuwe duikbril voor hem te kopen als hij zijn tranen kan vinden over zijn oude. Toen nog niet wetende dat ik de rest van de dag hem daarbij zou moeten helpen.

Later lopen we terug naar ons huisje. Ik probeer bij iedere kleine tegenslag om hem naar zijn teleurstelling te helpen. We kopen onderweg een ijsje en zijn bolletje valt van zijn hoorntje af. “ah wat jammer,” zeg ik kort. Als hij struikelt over een steentje zeg ik: “dat zit tegen, je viel bijna.” Zijn zusje loopt per ongeluk op zijn hakken, “wat een baaldag!” Maar alles leek juist meer als olie op het vuur.

Bij ons huisje stel ik voor om nog eventjes te zwemmen in het zwembad, de zon schijnt nog zo lekker. “Ja, roept mijn dochter uit.” Mijn zoon protesteert maar gaat naast me zitten op een ligbed, brommend in herhaling hoe stom alles is. Hij probeert te tekenen, maar niets lukt zoals hij het in zijn hoofd heeft. Hij vloekt.

Ik leg mijn boek opzij en kijk hem medelevend aan. “De golf kwam zomaar onverwachts he? Je wilt zo graag je duikbril terug, je bent zo teleurgesteld.” Ik ga naast hem zitten, en daar komen eindelijk zijn tranen, met af en toe nog “die stomme golf”, en dan weer tranen, en dan “ik wil zo graag, en nu kan ik de hele vakantie niet meer snorkelen.”

Ik laat hem een tijdje huilen in mijn armen om het verlies van zijn bril. Ik weet dat ik de volgende ochtend meteen een nieuwe bril voor hem ga halen.

Kinderen kunnen zich alleen verbonden met ons voelen als zij een zacht hart hebben. Wanneer wij hen liefdevol helpen tranen en teleurstelling te vinden over de tegenslagen in hun leven, zorgen we ervoor dat zij een zacht hart houden.

© 2022 The Neufeld Institute